Excretienormen stikstof biologisch melkvee


Durk Oosterhof - 30 april 2020 - 0 comments

Vorig jaar, midden in de zomer, werden we verrast door een internetconsultatie over de nieuwe excretienormen. Over de manier waarop en het tijdstip is bij LNV het nodige gezegd.

Mede door onze bezwaren die wij via het Biohuis hebben ingediend zijn vele zaken op z’n minst uitgesteld en hebben wij als biologische sector de toezegging gekregen om met elkaar tot goede oplossingen (excretienormen) te komen. Dit overleg is kort geleden (pas) weer opgestart.
We willen graag een ieder meenemen in de voortgang van deze gesprekken, maar zullen ons voornamelijk  beperken tot de in de consultatie benoemde melkveecategorieën betreffende drijfmest.
Bij de stikstofexcretie draait het om de stikstof die door het dier wordt uitgescheiden welke daadwerkelijk op het land komt. Deze hoeveelheid stikstof waarmee het land wordt bemest is gelimiteerd (voor biologische agrarische percelen is dit 170 kg N/ha). Excretienormen en het aantal dieren bepalen (in dit geval op basis van stikstof) bij een tekort aan oppervlakte, hoeveel mest er moet worden afgevoerd en bij een overschot aan oppervlakte, de hoeveelheid mest die mag worden aangevoerd.
Het verraderlijke bij het tot stand komen van de excretienormen is dat stikstof (geproduceerd door het dier) dat door emissie vervluchtigd (niet op het land komt), niet wordt meegenomen. Feitelijk geldt: hoe meer emissie hoe lager het excretiegetal en hoe meer vee per hectare gehouden mag worden. Het argument gebruiken dat biologische weidegang leidt tot minder emissie, werkt bij het excretiegetal daardoor negatief uit. Het zou betekenen dat je minder vee per hectare mag houden.
Verder heeft men berekend dat de excretienorm hoger is bij een hoger ureumgetal. Veel weidegang in het najaar kan zelfs zonder krachtvoer zorgen dat het ureumgetal behoorlijk kan stijgen, waardoor zowel de emissie stijgt (wat bij weidegang wel weer meevalt) maar ook de totale productie van stikstof in de mest.
Tot nog toe speelt dit bij de biologische melkveehouderij niet omdat een biologische melkkoe een vaste excretienorm heeft van 96,1.
Toch wil men er naar toe dat de productie/ureum tabel (tabel 6) ook voor biologische melkkoeien de bedrijfsspecifieke norm bepaald. Deels is dit goed onderbouwd en met name voor de lage productieklassen ook terecht.
Biologische bedrijven met weinig land en weinig productie per koe kunnen tot nu toe worden geconfronteerd met verplichte afvoer van mest(stikstof), terwijl dat overschot er eigenlijk niet is.
Het pleit er daarom voor dat juist de lagere productieklassen (t.o.v. het gemiddelde) versneld overgaan op de productie/ureum tabel.
Voor hogere productieklassen en hoge gemiddelde ureumgehaltes zijn wij terughoudender en vragen aan LNV om hier gefaseerd mee om te gaan.
Door een langzame invoering (over meerdere jaren) heeft een bedrijf die hierdoor in de knel raakt de tijd om de zaken op orde te brengen. Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld om, zoals we in het vorige nieuwsitem al hebben aangegeven, in gesprek te gaan met je provincie en op zoek te gaan naar beschikbare biologische oppervlakte. Maar goede afspraken met een biologische akkerbouwer, behoort ook tot de mogelijkheden.
Het gefaseerd invoeren geeft ons ook meer tijd voor het pleiten voor en het ontwikkelen van een meer biologisch bedrijfspecifieke meetmethode. Want kloppen al die normen uit de productie/ureum tabel eigenlijk wel? Gaat die berekende hoeveelheid stikstof die voor het land beschikbaar komt eigenlijk wel van te voren in die biologische koe? Is het terecht dat een hoog ureumgetal leidt tot het minder mogen houden van koeien, terwijl de oorzaak (hoge stikstofopname) mogelijk alleen uit het gras komt van de wei waar vervolgens de mest weer op terecht komt. Er zijn voorbeelden in het buitenland waarbij biologische koeien wel hogere excretienormen hebben, maar dat er vervolgens niet naar het ureum wordt gekeken.
Heb je over bovenstaande ideeën of berekeningen die ons kunnen helpen bij een eerlijke bepaling van de biologische excretienormen, dan horen wij dit graag.
Andere zaken op dit front:
  • Het voorstel om melkvee pas na 12 maanden na de geboorte van het laatste kalf onder code 120 (mestvee) te mogen brengen is vorig jaar al definitief geschrapt.
  • De invoering van een nieuwe diercategorie (103) voor jongvee ouder dan twee jaar speelt nog wel. Hierover zijn wij in gesprek en proberen voor biologisch jonvee lagere excretienormen te laten hanteren of de bestaande categorieën (101 en 102) uit te smeren over meer maanden per categorie. Dit is te verdedigen omdat biologisch jongvee veelal een sober rantsoen hebben en bewust laatrijpheid wordt nagestreefd. Het moment van volgroeit zijn is hierdoor later en hiermee annex de hoeveelheid stikstofuitstoot.
  • Graag zouden we van kalf bij de koebedrijven/biologische zoogkoeienhouders willen horen of jullie tegen problemen aanlopen m.b.t. de excretienormen. Dit is ook een gerichte vraag vanuit LNV.